Toespraak uitreiking Amsterdamprijs voor de Kunst
Op donderdag 26 augustus werd de Amsterdamprijs van het Amsterdams Fonds voor de Kunst uitgereikt. Wethouder Carolien Gehrels was er bij en sprak de aanwezigen toe.
Hieronder vindt u haar toespraak.
N.B. Alleen gesproken woord geldt. Dames en heren, In zijn autobiografisch werk De wereld van gisteren geeft Stefan Zweig een adembenemende beschrijving van Europa begin vorige eeuw. Kunst en cultuur bloeiden daar als nooit tevoren. Ik citeer: “Wenen, Milaan, Parijs, Londen, Amsterdam – steeds als je er terugkwam was je verbaasd en opgetogen; breder en fraaier werden de straten, imposanter de openbare gebouwen, luxueuzer en smaakvoller de winkels. Aan alles merkte je hoe de rijkdom toenam en zich verspreidde; zelfs wij schrijvers merkten het aan de oplagen die in die periode van tien jaar drie, vijf, tien keer zo groot werden. Overal ontstonden nieuwe theaters, bibliotheken, musea… overal was vooruitgang. Wie waagde, won. Nooit was Europa sterker, rijker en mooier geweest.” Wenen lijkt een ideale stad. “Gastvrij”, zo schrijft Zweig over het Wenen waar hij opgroeide, “en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige elementen aan en ontspande ze, bracht ze tot rust. Het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad opgevoed tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap.” De rol die kunst en cultuur speelden in Wenen, de stad waar Zweig opgroeide, was ongekend. Het felle debat ging hier niet over politiek, maar over de nieuwste opera, het laatste toneelstuk, het opzienbarendste boek. Zweig beschrijft het zo: “Waar het in de politiek, de bestuurlijke sector, in de dagelijkse omgang allemaal tamelijk gemoedelijk toeging en men veel onjuistheden door de vingers zag, was er in artistieke zaken geen pardon – hier stond de eer van de stad op het spel!” Wie Stefan Zweig leest, wordt bijna jaloers op die wereld, die tijd. Een ongekende bloeitijd van kunst en cultuur – wat is er mooier dan in zo’n tijd te leven? Een tijd, waarin de eer van de stad slechts door één ding bepaald wordt: de kwaliteit van de kunsten! En toch wordt bij elke bladzijde die je in het boek leest de spanning dieper voelbaar. Er wringt iets. En wat dat is, blijkt aan het einde van het tweede hoofdstuk. De jonge Stefan Zweig en zijn vrienden ontdekken dan – laat, té laat - dat er buiten het theater en het boek wel degelijk nog een andere wereld is. Ook dat citaat wil ik u niet onthouden: “Wij jongeren, totaal ingesponnen in onze literaire ambities, merkten weinig van de gevaarlijke veranderingen in ons vaderland: wij hadden alleen oog voor boeken en kunst. We hadden niet de minste belangstelling voor politieke en sociale problemen. De stad raakte in opwinding over de verkiezingen en wij gingen naar de bibliotheek. De massa kwam in opstand en wij schreven gedichten. We zagen de vurige tekens aan de wand niet… en pas toen tientallen jaren later het dak en de muren op ons neerstortten, zagen wij in dat de fundamenten allang ondergraven waren geweest en dat tegelijk met de nieuwe eeuw de ondergang van de individuele vrijheid in Europa was begonnen.” Ik heb het boek van Stefan Zweig ademloos gelezen en het heeft mijn gedachten gescherpt over mijn visie op de verhouding tussen de kunsten en de samenleving. De Amsterdamse wethouder Emmanuel Boekman eindigde in 1939 zijn proefschrift over de overheid en de kunsten met de zin: “eerst dan verkrijgt het optreden van de overheid op het gebied van de kunst karakter en gestalte, wanneer zij de kunst niet meer beschouwt als een aangelegenheid welke geheel los staat van alle der door haar te verzorgen belangen, maar haar verband met een aantal dezer juist erkent.” Zoals u weet sluit ik me aan bij deze stelling. De overheid staat niet los van de kunst. De overheid heeft een taak in de kunst. Kunst gaat over waarden. Waarden die van zo’n groot belang zijn voor onze samenleving, dat de overheid zich er niet aan mag en kan onttrekken: vrijheid, gelijkheid, pluriformiteit en kwaliteit. Het is noodzakelijk dat een land, of een stad, waarde hecht aan kunst en cultuur – en dat die waarde ook gevierd wordt en intens beleefd. Het is daarom noodzakelijk dat de kunstenaars zich verbinden met de samenleving, doorzien wat daar gebeurt en er op reflecteren. Het is in déze wisselwerking dat een samenleving haar waarden uitdraagt, beschermt en ontwikkelt. Dat gebeurde niet in Wenen in 1910, en we moeten ons voortdurend afvragen of dit gebeurt in Amsterdam in deze tijd. Amsterdam eert vandaag zeven kunstenaars en collectieven die allen, in meer of mindere mate, fundamentele Amsterdamse waarden vertegenwoordigen. Onmiskenbaar ademen de werken de vrijheid te kunnen maken wat je wilt. Dat vergt vrijheid in letterlijke zin, maar ook vrijheid van geest. Of dat nu licht absurdistische verhalen zijn, vertaald in stilistische perfectie of de vrijheid het lichaam het woord te laten voeren. Gelijkheid herken je in het concept waar herkenbaar Hollandse producten samenvallen met de moslimcultuur. En ook in het geschreven woord dat de aandacht vestigt op de ongelijkheid in het geboorteland. Of in de vergeelde jaarlijkse kermisfoto’s die door een nieuw frame tot kunst uitgroeien. Kwaliteit is fysiek voelbaar in zuivere klanken, of blijkt uit het feit dat je succesvol bent in alle disciplines die je aanraakt. U alle zeven beschouwt de wereld om u heen vanuit een eigen visie, met eigen stijl en instrumenten, en u bedient allen een eigen publiek. Samen staat u voor de pluriformiteit van de Amsterdamse kunsten en die van de stad in zijn geheel. En met uw innovatieve kracht, de kwaliteit van uw werk en uw internationale oriëntatie levert u een onmisbare bijdrage aan de ontwikkeling van deze bijzondere stad. De ontwikkeling van een stad waar kunst geen sluitpost is, maar wezenlijk deel van het leven. De ontwikkeling van een stad waar de diversiteit van de bevolking geen bron is van raciale spanning, maar van spannende vernieuwing. De ontwikkeling van een stad waarin, om met Zweig te spreken ‘kunst een grote rol speelt in het leven van de hele bevolking.’ En daardoor een stad vormt die ook een ideale omgeving is voor kunstenaars. En ik hoop op mijn beurt dat Amsterdam voor u altijd dé stad blijft, want, en ik citeer: “De kunstenaar voelt zich altijd daar het best op zijn plaats en tegelijk het meest gestimuleerd, waar hij gewaardeerd of zelfs overgewaardeerd wordt. De kunst bereikt altijd daar haar grootste hoogten, waar zij een grote rol speelt in het leven van een heel volk.” Dat wens ik ons allen toe.
