Sociaal- democratische stadspolitiek en de noodzaak van kunst en cultuur in een wereldhoofdstad
Stadspolitiek is spannend en enerverend. Gedreven door individuele én internationale krachten, laverend tussen wijk- én wereldbelangen, gericht op het bereiken van hele abstracte én zeer concrete doelen. Op één dag maak ik als wethouder kunst en cultuur, sport en bedrijven van Amsterdam grote sprongen. Van maatregelen tegen obesitas voor kinderen spring ik naar de bouwvergadering voor een duurzame sporthal. Dan hebben we het over extra banen in de sport voor Amsterdamse jongeren, even later over de verzelfstandiging van een gemeentelijke dienst. Van een indringend debat over wereldklasse in de kunst, spoed ik mij naar de muziekschool waar getalenteerde tieners een weergaloos optreden geven.
Het tempo is hoog, het speelveld in de stad is groot, net als het aantal spelers. De wereld is nu ook de wijk binnengewandeld en de relevante omgeving van de stad is aanzienlijk groter geworden dan voorheen. Vragen die veranderingen om een nieuwe stadspolitiek en om een nieuwe manier van besturen? Wat mogen de bewoners en dus de kiezers van hun bestuur verwachten? Hoe moet en kan de stadspolitiek veranderen? En vinden wij als sociaal- democraten dat wij daarin een speciale opdracht hebben? Ik vind van wel. Alle partijen hebben de opdracht om de overheidsrol in deze tijd herkenbaar en duidelijk te definiëren vanuit hun ideologische basis.
Illustere voorgangers vonden zeer zeker dat zij een speciale opdracht hadden, daarin altijd geïnspireerd door hun eigen tijd. Een paar voorbeelden. Dit jaar vieren wij in Amsterdam het 150ste geboortejaar van wethouder Floor Wibaut. Hij was begin twintigste eeuw de volkshuisvester bij uitstek en bereikte een belangrijk deel van zijn idealen: betaalbare woningen voor alle Amsterdammers. Emanuel Boekman was cultuurwethouder van 1933 tot 1939 en probeerde de sociale tegenstellingen, uit de vooroorlogse verstedelijking voortgekomen, mede met zijn cultuurpolitiek op te lossen. Na de Tweede Wereldoorlog steunde Albert de Roos als wethouder van cultuur de eigenzinnige directeur van het Stedelijk Willem Sandberg door dik en dun omdat het zijn stellige overtuiging was dat vernieuwende en experimentele kunst de blik van de Amsterdammers weer naar buiten en weer naar voren zou richten. Sandberg wilde namelijk tentoonstellen ’wat vooruitwijst en niet datgene wat naar het verleden wijst. Iets dat in de richting wijst waarin onze maatschappij zich beweegt’.1
Deze mannen zijn voorbeelden voor mij, omdat zij visie en originele ideeën met daadkracht en lef combineerden. Zij verbonden het streven naar economische zelfstandigheid met culturele en sociale ontwikkeling. Zij gaven heel concreet invulling aan de vernieuwing en blijvende verbetering van de stad. Dat kunnen we nu nog dagelijks zien : aan de populariteit van wijken als De Pijp, Oud-West, De Baarsjes en het Westerpark, aan de gevels met de kunstwerken van Hildo Krop, aan de uitzonderlijke kwaliteit van de collectie van het Stedelijk Museum. Zij formuleerden voor zichzelf een opdracht gebaseerd op de beginselen van de sociaal- democratie, geïnspireerd door de noden en behoeften van hun eigen tijd. Voor hen was verbetering de drijfveer en zij deden dat vanuit een duidelijke invulling van hún rol als bestuurder.
Daar kunnen we vandaag de dag van leren. Juist omdat het krachtenveld veel groter en sterker is – zoals ik in onderstaande paragraaf schets - verwachten de bewoners een stadsbestuur dat er staat als een rots in de branding. Met een noodzakelijke rol voor de overheid, een herkenbare houding van bestuurders en politici, duidelijke doelen die te bereiken zijn dankzij goed samenspel. Voor de uitwerking gebruik ik voorbeelden uit de kunst en cultuur.
Een nieuw krachtenveld voor stadspolitiek
Internationalisering is een gegeven. Onze stad telt nu 187 nationaliteiten. Als ik ’s morgens naar buiten loop en de deur achter mij dichttrek, hoor ik het vaak meteen: voorbijgangers spreken in alle talen van de wereld met elkaar. Amsterdam heeft grote aantrekkingskracht op mensen van over de hele wereld: om hier te komen werken voor een seizoen of langer, hier te komen wonen, hier hun bedrijf te vestigen, naar school of universiteit te gaan, een paar dagen rond te kijken als toerist of congresbezoeker, hun ouders of kinderen hier naar toe te laten komen. Het is wat dat betreft nog steeds vergelijkbaar met de situatie van 400 jaar geleden: we zijn mondiale stedelingen, of stedelijke kosmopolieten, die van overal vandaan kwamen en neergestreken zijn in Amsterdam. Het verschil is nu dat de variëteit nog groter is, de mensen meer contact kunnen houden met hun thuisland en ook sneller weer weg kunnen, of gewoon tijdelijk ergens anders heengaan. Mensen in de stad kunnen er voor kiezen om passanten te zijn.
Het verschil tussen nu en vijftig jaar geleden is aanzienlijk. Toen deelden we het wekelijks ritme met de mensen in onze eigen zuil. Toen ontwierpen we een stelsel van sociale zekerheid dat uitging van vaste patronen en omslagstelsels: jij betaalde toen voor mijn studiefinanciering, ik nu voor jouw AOW. Toen was de rol van de overheid doorslaggevend, vooral bij de opbouw van de verzorgingsstaat waaraan iedereen voor zijn eigen sociale zekerheid voldoende leek te hebben. Nu is de situatie heel anders. De verschillen in inkomen, ook in de formele economie, zijn veel groter dan voorheen. Zo’n vijftig jaar geleden verdiende de hoogste man van een bedrijf ongeveer vier keer zoveel als de laagste. Die verhouding ligt – ook door de globalisering - nu anders waardoor het risico op een sociale tweedeling is toegenomen.
Maar misschien is het allergrootste verschil met voorheen wel dat de individuele mensen anno 2009 vele malen meer eigen mogelijkheden hebben om op de veranderingen en bewegingen te reageren. De verzorgingsstaat is een verworvenheid die iedereen recht biedt op een basis aan zekerheid. Deze basis biedt ook voor degenen die het niet breed hebben een bestaansminimum. Rijk én arm – zeker de bewoners van de grote stad –benutten de mogelijkheden om fysiek en virtueel de wereld over te gaan en zo hun horizon te vergroten. De een vliegt naar een nieuw werelddeel om een onderneming te beginnen, de ander heeft zijn spaargeld in IJsland gestald, een derde komt door intercontinentale handel aan zijn geld. En omdat die regelmogelijkheden zo individueel zijn, ontstaat er ongemak en ongelijkheid: de een heeft vijftig jaar bijgedragen aan de opbouw van ons land en heeft een pyamadag in het verzorgingstehuis, de ander krijgt meteen een uitkering zonder dat‘ie er in Nederland ooit iets voor gedaan heeft. Is dat eerlijk, is dat rechtvaardig, is dat solidair?
Kortom: de wereld is ons speelveld en een ieder heeft zijn eigen manieren en mogelijkheden om daarmee om te gaan. Daartussen probeert de stadspolitiek de boel bij elkaar te houden. Door de variëteit en de flexibiliteit van de mensen in de stad ontstaan er steeds weer nieuwe scheidslijnen in economisch, cultureel en sociaal opzicht. De vraag is natuurlijk: hoe hier als stadsbestuur mee om te gaan?
Een nieuw krachtenveld vraagt om nieuwe herkenbare stadspolitiek
Hoe gaan we om met globalisering? Het economische antwoord van een stadsbestuurder is te geven tegen de achtergrond van de sterke concurrentie die er in de wereld is ontstaan. Deze speelt zich af tussen steden en regio’s, of het nou om bedrijven, bezoekers of bewoners gaat.
De wereldeconomie is een stedelijke economie geworden. De economische groei komt uit de steden en de fysieke economie maakt langzaam plaats voor een digitale economie, die zich veelal in steden concentreert. Onderdeel van nieuwe stadspolitiek is dat een stad of regio zich veel beter en sterker moet positioneren: kiezen voor een beperkt aantal zaken en dus voor heel veel niet. De stad moet zich maximaal inspannen om háár positie te versterken ten opzichte van anderen, want anders kiest het bedrijf, de bezoeker, de congres- of evenementenorganisator voor een ander. En kiezen voor een paar zaken maakt ook kwetsbaar. Wat te doen als je voor mijnbouw kiest en de winning van bruinkool is niet langer gewenst? Wat te doen als je voor een handelsrelatie met China kiest en de Dalai Lama komt op bezoek? Wat als je voor culturele hoofdstad kiest, maar door de crisis schrapt de regering de helft van het budget? Een studie naar de geschiedenis van steden laat zien dat het effectief is om voortdurend te blijven investeren in de aantrekkingskracht van de stad. Niet alleen voor de stad, maar ook voor de regio en het land.
Hoe gaan we in Nederland om met de enorme variëteit onder de inwoners van de stad. Sociaal-democratische politiek in de stad betekent mijns inziens dat de overheid investeert in de basisvoorwaarden voor het bestaan van iedereen. Een basis waar het gaat om het opvoeden en opgroeien van kinderen met behulp van goed onderwijs; om een perspectief op werk of toeleiding naar werk voor iedereen; om opvang en ontferming over ouderen; om voorzieningen voor sport en cultuur; om omgangsvormen in de openbare ruimte. Tot deze basis behoort ook: positie kiezen in het sociale netwerk van de stad op basis van je identiteit. Dat betekent dat de mensen in de buurt gekend zijn door ondernemer, wijkagent, onderwijzer, verzorger, trainer. Dat zij weten wie het moeilijk heeft en wie niet, weten wie de moeilijkheden maakt en wie ze weer oplost. Dat is niet in een database op te slaan.
De kern van nieuwe stadspolitiek is dat de stad in het nieuwe internationale speelveld positie kiest en de mensen bindt en uitdaagt. Bewoners willen zich identificeren met hún stad, die intiem en anoniem tegelijk is, daar trots op zijn. Tegelijkertijd moet de stad steeds weer nieuwe impulsen geven om hun binding te bevestigen. Kunst en cultuur spelen daarbij een cruciale rol: de aanwezigheid van kunst en cultuur is noodzakelijk voor het positioneren van de stad en voor het uitdagen en binden van mensen - bewoners, bezoekers én bedrijven. Overheidsbemoeienis is daarin een must.
De overheid heeft een noodzakelijke rol omdat kunst en cultuur de stad karakter en gezicht geeft. Zonder kunst en cultuur raakt een mens, maar ook een stad verweest. Heel treffend beschrijft Nobelprijs-winnaar Orhan Pamuk dat in zijn boek Istanbul.
‘Het Istanbul van mijn kinderjaren en jeugd was een plek waar de kosmopolitische structuur van de stad zienderogen afkalfde. Een onderdeel van deze culturele zuivering dat me nog van mijn kindertijd is bijgebleven, is dat mensen die op straat in de jaren zestig hardop Grieks of Armeens spraken (Koerden en Koerdisch zag of hoorde je toch al nauwelijks) de mond werd gesnoerd met de slogan ‘Burger, in het Turks!’. Her en der hingen ook borden met deze tekst. Toen het Osmaanse rijk ten onder was gegaan en de republiek Turkije niets anders zag dan haar eigen Turkse identiteit, waarvan ze ook niet kon beslissen wat het inhield en zo het contact met de wereld verloor, raakte Istanbul zijn oude, meertalige, glorieuze en luisterrijke dagen kwijt en veranderde waar het bij stond in een uitgestorven, zwart-wit, eentalig oord waar alles langzaam oud en stil werd.’2
Kunstenaar worden, of het nu schrijver of schilder is, dat kan Orhan Pamuk beter niet doen, was de heersende opvatting. ‘Het is hier Parijs niet’. Kunst en cultuur zijn geen luxe, of iets extra’s, maar voorzien in een basisbehoefte voor een mens, net als eten en drinken, omdat zij grote invloed hebben op de identiteit en de manier waarop mensen zich verbinden met en onderscheiden van elkaar en hun omgeving.
Verbinden kan dankzij kunst en cultuur die zich bewezen heeft: dankzij de monumenten en het erfgoed, dankzij de culturele tradities van de stad, dankzij het richtinggevende, het unieke en het bijzondere in het kunst- en cultuuraanbod. Daarom is het legitiem tijd en geld vrij te maken voor de culturele ontwikkeling van de jongeren in de stad en om het aanbod van kunst en cultuur bereikbaar en toegankelijk te houden voor alle inwoners van de stad. Uitdagen is alleen mogelijk dankzij voortdurende vernieuwing. De steeds veranderende samenstelling van de stad dwingt zowel overheid als kunst- en cultuurinstellingen om zich steeds opnieuw te verhouden tot de stad, omdat beide anders legitimiteit verliezen. Voor de kunsten is alleen het zeker stellen van vrijheid en autonomie niet genoeg, de overheid moet ook mogelijkheden en gelegenheden scheppen voor kunst, cultuur en subcultuur. Zonder overheidsbemoeienis komt een florerend kunst- en cultureel leven niet tot stand, zo wijst de geschiedenis wereldwijd uit.
Nadere uitwerking van een nieuwe stadspolitiek
Hoe lokale bestuurders de veranderingen interpreteren en voor welke oplossingen zij kiezen, hangt af van hun ideologie. De sociaal-democratie kan invulling geven aan de nieuwe stadspolitiek door ten eerste een basishouding te definiëren en ten tweede een aantal gedeelde politieke doelen teformuleren, die ik in het onderstaande uitwerk voor de kunst en cultuur. Ten derde zijn ‘meervoudige verbindingen’ een voorwaarde voor goed samenspel.
Conditio sine qua non
Er is om te beginnen één niet-ideologische kwestie. Als we het hebben over de overheid, dan is niet duidelijk wie nu waarover gaat. Verantwoordelijkheden zijn diffuus en besluitvorming komt soms moeilijk tot stand. Bijna een derde van de burgers heeft geen vertrouwen in de overheid en voelt dat de overheid er niet voor hen is. Nu heeft de overheid het altijd al vaak gedaan. (“Why people don’t trust government” is een bekende studie van Harvard uit 1997), maar er wrikt iets, zeker de laatste jaren. Er zijn twee merkwaardige paradoxen: Nederlanders behoren tot de rijkste en gelukkigste mensen ter wereld, maar zijn buitengewoon ontevreden over wat de overheid doet. Nederlanders zijn ontevreden over het politieke systeem in het algemeen, maar wel blij met specifieke prestaties waar het gaat om bijvoorbeeld de dienstverlening van de overheid. Die is namelijk enorm verbeterd de afgelopen twintig jaar, in ieder geval in Amsterdam. Wat is er dan aan de hand?
In de tijd van Wibaut had de stadspolitiek meer bestuurskracht. Mijn stelling is dat het stadsbestuur weer meer vrijheid, flexibiliteit en uitvoerend vermogen nodig heeft, om op alle eisen van deze tijd te reageren. We lopen in Nederland aan tegen de manier waarop we ons openbaar bestuur georganiseerd hebben. We hebben zo langzamerhand te kampen met vele lagen en gestolde bestuursstructuren, waarbij die lagen net te weinig verantwoordelijkheid hebben om de problemen goed op te lossen. Duidelijk is dat de balans tussen dynamiek en stabiliteit dankzij het aantal bestuurslagen doorslaat naar stabiliteit, zodat verstarring op de loer ligt, of overbelasting en improductiviteit van de overheid. Overheden zijn soms meer met elkaar bezig, dan met hun burgers. Het zoeken naar praktische oplossingen voor problemen samen met burgers is teveel naar de achtergrond verdwenen. De oploop van lokale en regionale bestuurders naar Den Haag is enorm, omdat daar het geld wordt verdeeld.
Bovendien is er lokaal sinds 2002 het dualisme ingevoerd, waardoor de bestuurder verder afstaat van de volksvertegenwoordigers van dezelfde partij. Dat verkleint de voorspelbaarheid en de bestuurbaarheid en daarmee vergroot het de onzekerheid van zowel bestuurder als beleid. In de beleidsvorming en -controle wordt de gemeenteraad bijgestaan door de rekenkamer, de ombudsman en andere adviesraden, die eveneens allemaal hun manier hebben gevonden om hun invloed te doen gelden. Zij richten hun pijlen vooral op het bestuur, want daarvandaan komen de beleidsvoorstellen. Daarbij is er onze genetische aanleg en egalitaire neiging tot vergaande machtsverdeling, waarbij we bij een aantal politieke partijen zo langzamerhand kunnen spreken over machtsverpulvering. Wellicht speelt hier ook de geringe organisatiegraad en ‘organisatiezwakte’ een rol. Ten slotte lijkt het in Nederland te ontbreken aan uitvoeringskracht. De politiek moet het wat bepalen en de professionals het hoe, waarbij een belangrijk aandachtspunt voor de toekomst is hoe de goede professionals voor de gemeenten behouden en geworven kunnen worden. Het vraagt veel expertise van een gemeentelijke organisatie om een goede opdrachtgever van de uitvoering te zijn, of het nu gaat over een metrolijn, citymarketing, taxi’s of ICT.
De overheid is niet de big brother, die alles ziet en controleert. Zij is ook niet de big mother, bij wie je altijd terecht kunt als er iets mis is gegaan. Ze is allang niet meer Vadertje Staat of de big father, waar top down bepaald wordt wat goed is voor de mensen. Ze is een gerespecteerd lid van de extended family, die heel duidelijk kiest voor een beperkt aantal taken waarvoor zij zich tot het uiterste inspant. Werk en inkomen, onderwijs en ontwikkeling, veiligheid, duurzaamheid, ruimtelijke ordening, kunst en cultuur.
Nieuwe stadspolitiek vraagt samenvattend om meer vrijheid, flexibiliteit én uitvoerend vermogen. Het terugbrengen van het aantal bestuurslagen, zou de steden en regio’s al meer slagkracht geven dan nu. En misschien zou de overheid zelfs haar verschijningsvorm aan moeten passen. Iets anders dan deze vorm van democratie, iets anders dan deze balans tussen dynamiek en stabiliteit. Op weg naar een schaal waarop mensen met elkaar problemen op willen lossen. We moeten nadenken over een vormgeving van het collectieve, samen met het bedrijfsleven, de maatschappelijke partners, kennisinstellingen, wellicht de media. De overheid is teveel en anderen zijn te weinig ‘het collectief’ geworden. Ergens in het midden ligt de oplossing.
Basishouding: internationaal, open en toekomstgericht
De wereld is veranderd en zowel de nationale als de lokale politiek zijn in een ander krachtenveld terecht gekomen. Een herkenbare basishouding is een baken. Die geeft een gemeenschappelijk perspectief om te kunnen werken, in goede en in deplorabele tijden, met mensen die je wel en niet kent, omdat duidelijk is wat je aan de sociaal-democratie hebt. Zelf voel ik me thuis bij drie trefwoorden: internationaal, open en toekomstgericht.
Internationaal omdat dat het speelveld is van de stadsbewoners. Dat brengt voor stadspolitiek spanning met zich mee, want zorgen, verzorgen en binden kunnen alleen maar hand in hand gaan met uitdagen, onderscheiden, aanspraak doen op de capaciteiten van mensen. Dat vraagt om een mentaliteit die niet de vraag voortbrengt waar je vandaan komt, maar wat je toe te voegen hebt. Iedereen is gelijk, vanuit een welbegrepen eigenbelang: wat heb ik aan jou, wat heb jij aan mij? Vind wat je vindt, geloof wat je wilt geloven. Verbaas en verwonder je over de verschillen, maar omarm ze. Ze zullen er altijd blijven, hoewel ook de verschillen weer veranderen. De stad is per definitie een plek van tegenstellingen, een haard van conflicten. De mate waarin een stad de verschillen kan omarmen, kan koesteren en kan benutten, bepaalt haar succes, is mijn overtuiging.
Openheid gaat voor mij over inhoudelijke, professionele en persoonlijke nieuwsgierigheid. Wie ben jij, wat drijft jou, wat wil je, waarom? Voor mij staat openheid vanzelfsprekend tegenover geslotenheid. Ik ken jou niet, wat doe je hier, kom jij niet aan mijn spullen, ben jij niet uit op mijn baan, ben jij niet net zoals die anderen van wie ik ook geen beste verhalen hoor? Door de vier crises waarin we mondiaal zeggen te verkeren – financieel, klimaat, energie en voedsel – en de onzekerheden die dat voor iedereen persoonlijk met zich meebrengt met daarbij de verharding in samenleving en politiek, is een open houding helaas niet vanzelfsprekend meer. De sociaal-democratie kan dankzij ’kijken door de ogen van een ander’ het verschil tussen mensen omarmen en daarmee voor velen weer het verschil gaan maken. Om met Spinoza te spreken: ‘De menselijke handelingen niet bespotten, niet betreuren, niet veroordelen, doch begrijpen.’
Een toekomstgerichte houding lijkt vanzelfsprekend, want besturen is immers vooruitzien. Toch lijken er velen naar binnen gekeerd en domineren de angst en de afrekening. Een investering in de toekomst geeft immers geen garanties op succes en de kiezer moet iets natuurlijk wel als visionair, verstandig of voortvarend beoordelen. Een investering in de toekomst kan nu rationeel zijn, maar morgen de reden voor vertrek. Een investering kan uiteindelijk toch anders renderen dan vooraf berekend of een ander profiteert meer dan jij. Risico’s mijden is vele malen veiliger. Toch is dit niet te verkiezen in de nieuwe stadspolitiek. Bestuurders moeten duidelijk maken waar zij wel en niet in willen investeren en welke risico’s dat met zich mee brengt. Ook grote risicovolle projecten kunnen alle tijd en geld en onzekerheid waard zijn. Ten slotte: toekomstgericht betekent ook dat je de mensen met wie je samenwerkt ook in de (verre) toekomst graag weer ziet. Ook dat vraagt om openheid, en om vertrouwen, loyaliteit en incasseringsvermogen.
Als dit de basishouding is, brengt dat de plicht met zich mee om een harde tweedeling in de stad te voorkomen en om díegenen mee te nemen, die wat meer moeite hebben om mee te doen in onze wereldhoofdstad. Specifiek beleid is nodig om iederéén de gelegenheid te geven om geboden mogelijkheden en kansen te benutten. Dat betekent veel aandacht daarvoor in het onderwijs; goed publiek onderwijs is dé manier om grote groepen mensen weerbaar en zelfstandig te maken, ook in deze tijd.
Politieke doelen
Wat gaan we doen met de kunst en cultuur in de stad? Die vraagt komt natuurlijk vanzelf op als je wethouder kunst en cultuur wordt. Toen ik dat werd in april 2006 begon mijn zoektocht naar de combinatie van de verworvenheden en mogelijkheden van de stad enerzijds en anderzijds de sociaal-democratische inhoudelijke uitgangspunten van grootstedelijk kunst- en cultuurbeleid.
“In Amsterdam kan je zijn wie je bent tussen mensen die anders zijn dan jij.” Dat was voor mij de reden naar Amsterdam te komen in 1992 en daarom wil ik hier eigenlijk nooit meer weg. Amsterdam is een stad van minderheden – altijd al geweest – en dat bepaalt haar karakter en dat van de Amsterdammers. Dat spreekt mij aan omdat ik hou van de verschillen die na een gesprek leiden tot een beter idee, omdat ik hou van mensen die net een beetje anders zijn en daarmee een volstrekt nieuw licht op iets of iemand kunnen werpen, omdat ik hou van mensen die nieuwsgierig zijn naar het nieuwe en van tijd tot tijd daar ook weer aan twijfelen en daartoe word je verleid in een stad die vol is van verschillende mensen.’ Zo begon ik de hoofdlijnennota kunst en cultuur in mei 2007.3
Daarin definieerde ons College van B&W drie cultuurpolitieke doelen: cultuur-wijsheid, cultuurverbondenheid en culturele loopbaan. Deze drie begrippen zijn ontstaan tegen de achtergrond van Amsterdam als cultuurstad door de eeuwen heen en haar blijvende internationale oriëntatie, waarbij we tegelijk te maken hebben met ongelijkheid en radicalisering. Er verdwijnen tradities, oorspronkelijke wortels zijn niet meer te voeden, mensen vereenzamen omdat culturen te veel verschillen. Maar je kijkt je ogen uit in je eigen stad, er zijn vele springplanken omdat er zoveel kan en er zoveel zintuigen en talenten worden aangesproken; er zijn zoveel manieren om eigen rationaliteiten te ontwikkelen; er zijn altijd mensen met wie je je verbonden kunt voelen.
Cultuurwijsheid gaat over je verhouding tot anderen en daarmee je verhouding tot de wereld. Het begrip heb ik ontleend aan het begrip media-wijsheid dat de Raad voor Cultuur in 2005 introduceerde, vrij vertaald: cultuurwijsheid is het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel geculturaliseerde wereld. Het gaat er om te weten hoe je te verhouden tot de stad en haar variëteit aan mensen, om een idee wat kunst en cultuur betekent voor al die verschillende mensen en om een breder perspectief op de wereld .
Bij cultuur-verbondenheid staat binding met anderen en met de stad centraal. Het gaat om een mentaliteit van ontvankelijkheid en open staan voor anderen, om het bouwen van een verfijnd weefsel van culturele verbindingen in de stad. Bewezen is dat de mate waarin gemeenschappen waarden delen en in staat zijn individuele belangen ondergeschikt te maken aan dat van een grote groep, hun succes bepaalt. Mensen moeten hún gemeenschap, hún stad dus belangrijker vinden dan zichzelf. Zij moeten verder kunnen kijken dan hun eigen referentiekaders. Daarbij helpen kunst en cultuur.
Cultuur-loopbaan gaat over de uitdagingen, over de weg van de basis naar de top. Actief door zelf kunst en cultuur mede te maken, passief door als toeschouwer te genieten en steeds meer variatie te ontdekken. Je hoeft immers geen goede violist te zijn om van mooie muziek te kunnen genieten. Het gaat over talent, professionaliteit en kwaliteit. Worden in het klassieke onderwijs veelal rationele en cognitieve vaardigheden ontwikkeld, bij kunst en cultuur werk je aan sociaal- emotionele vaardigheden. Het mooie daarvan is dat deze weer heel andere talenten naar voren brengen.
Deze drie cultuurpolitieke doelen liggen in het verlengde van oude sociaal-democratische idealen van emanciperen en kansen bieden, maar zijn wel van deze tijd. Door de formulering van deze drie doelen, hebben wij in Amsterdam een poging gedaan om een ieder te verleiden zijn talenten te herkennen, te erkennen en te benutten op zo’n manier dat hij zich enerzijds vrij voelt en anderzijds uitgedaagd en opgetild voelt door de stad op zo’n manier dat hij daar uiteindelijk ook graag het schone, het ware en het goede aan bij wil dragen (vrij naar Plato). Met als resultaat een prachtstad, een stad met wereldklasse.
Om deze drie doelen te bereiken, moeten kunst en politiek zich meer en beter tot elkaar verhouden. Daarover ging dan ook mijn Boekman-lezing van 5 juni 2009. Mijn betoog draaide erom dat kunst en cultuur juíst een zaak zijn van de politiek. De sociaal-democratie heeft als ideaal om waarden te creëren als vrijheid, gelijkheid, pluriformiteit, gemeenschappelijkheid, kwaliteit. Deze komen mede tot uiting in de kunst en cultuur of krijgen er vorm door.
‘Ik vind dat de invloed die de politiek kan uitoefenen veel te klein is. Dat is niet goed voor de politiek, want het beperkt haar invloed op een cruciaal terrein. Maar het is ook niet goed voor de sector. Als cultuur een sector is waar je als bestuurder niet op mag sturen, dan keert de politiek zich af van de kunsten. (…) Dat is ongewenst en zelfs gevaarlijk. Maar het is precies wat ik zie gebeuren.
Kunst is niet alleen van de kunstenaars. Kunst is van de hele stad – van het hele volk. En dus ook, juist, van de politiek. Met deze mening plaats ik mijzelf in een sociaaldemocratische traditie waar ik trots op ben. De traditie van Joop den Uyl met zijn artikel ‘Overheid en markt in de kunst’ waarin hij zegt: “De overheid is hoedster van waarden, waartoe het ware, het goede en het schone een rol behoren te vervullen. Zoals de samenleving rechtvaardig dient te zijn, zo zal ze de cultuur moeten koesteren, bewaren en overdragen. De overheid is daarin wel onpartijdig, maar niet neutraal. Immers, de overheid moet keuzes maken. En ook al zijn dat geen inhoudelijke keuzen ten aanzien van het artistieke scheppingproces, toch drukt zij wel degelijk haar stempel op het behoud en dus ook de ontwikkelingskansen van kunst en cultuur”.
‘De overheid heeft een taak in de kunst, omdat kunst over waarden gaat. Waarden die van zo’n groot belang zijn voor onze samenleving, dat de overheid zich er niet aan mag en kan onttrekken: vrijheid, gelijkheid, pluriformiteit en kwaliteit. Kunst is te belangrijk om haar buiten het bereik van de politiek te laten.'4
Mijn betoog maakte veel los, zowel verontwaardiging als bijval waren mijn deel. Later begreep ik van ingewijden dat de lezing van Joop den Uyl in 1987 ook de nodige discussie teweeg bracht. Ik vind het te gemakkelijk om te zeggen dat kunst en politiek afstand moeten bewaren, of om pavloviaans te stellen dat elke bemoeienis onmiddellijk leidt tot onvrijheid en een ongewenste inbreuk is op de autonomie van de kunst. Kunst en cultuur zijn geen post- ideologische kwestie, maar juíst een ideologische zaak, en dus een zaak van de politiek om te bepalen wat je met de kunsten en cultuur voor ogen hebt in de stad. Aan de politiek en aan de bestuurders om dat op scherpzinnige wijze te formuleren. Arjo Klamer voegde daar op 3 november 2009 in NRC Handelsblad het argument aan toe dat objectieve adviezen over kunst onmogelijk zijn en dat er dús een politiek debat over kwaliteit moet zijn. En het is aan de kunstenaars en kunstinstellingen om vervolgens in vrijheid te onderhandelen over de vraag of zij zich op die wijze willen verhouden tot de stad. De kunstenaar Jonas Staal komt tot vergelijkbare analyses en conclusies in zijn recente publicatie (november 2009) Hij noemt kunstenaars volksvertegenwoordigers:
‘Politiek duidt voor mij het proces waarin wij onze idealen vertegenwoordigen, en ik weiger het idee te accepteren dat dit een proces is dat slecht aan enkelen is voorbehouden.
Welke vrijheid zou de politiek kunnen vertegenwoordigen, zonder diegenen die deze verwoorden, die deze visualiseren: die het noodzakelijke bewijsmateriaal aanleveren van hun feitelijke functioneren?
Wie beter dan de kunstenaar vormt dan ook het gezicht van het democratisme: wat zou er immers van al haar vrijheden en verheffende waarden worden als het niet de kunsten waren die deze vrijheden en verheffende waarden uitdroegen? Die deze continu van bewijslast voorzagen? En is dit dan ook niet de feitelijke opdracht die de staat aan kunstenaars heeft gegeven met behulp van allerhande fondsen, belastingkortingen en kunstopleidingen: om het succes van deze vrije samenleving aan de burgers en de rest van de wereld te vertonen?’
Samengevat: de afgelopen bestuursperiode vonden wij in Amsterdam overheidsbemoeienis in de kunst en cultuur noodzakelijk voor de ontwikkeling van de stad en van de bewoners. Op basis van de drie bovengenoemde doelstellingen formuleerden we vier ambities: wereldklasse, talentontwikkeling, prachtstad en laboratorium. Daarmee gaven we aan dat kunst en cultuur toegankelijk en bereikbaar moeten zijn voor álle Amsterdammers (prachtstad), dat de kunst en cultuur gezicht en identiteit geven aan onze stad en daarom zeer aantrekkelijk zijn voor bewoners, bezoekers en bedrijven (wereldklasse). We zorgen ervoor dat er letterlijk en figuurlijk ruimte is voor de ontwikkeling van actief en passief en talent (talentontwikkeling) én voor het nieuwe, het onbekende, het experiment (laboratorium). Een ambitieus cultuurbeleid, waarin we veel aan cultuureducatie hebben gedaan, meer mogelijkheden hebben gecreëerd voor kunstenaars via het Amsterdams Fonds voor de Kunsten, waarin we de afgelopen tien jaar hebben geïnvesteerd door vele nieuwe cultuurgebouwen en broedplaatsen neer te zetten (en mogelijkheden om ze nu goed te onderhouden), waar we in deze periode ruim 10% extra geld hebben uitgetrokken voor programmering (het budget voor de instellingen is verhoogd van € 75 miljoen naar bijna € 87 miljoen per jaar). Zo geeft kunst en cultuur de stad gezicht en karakter. Zo is de kunst- en cultuurpolitiek van dit rood-groene stadsbestuurders herkenbaar én onderscheidend geworden; de Amsterdammers weten waar ze voor kiezen.
Daarmee hoop ik dat ons kunst- en cultuurbeleid exemplarisch is voor nieuwe stadspolitiek. Juíst in deze tijd móet voor alle beleidsterreinen gelden dat de doelen en ambities ideologisch herkenbaar zijn, vlijmscherp en herkenbaar geformuleerd en moeilijk weg te moffelen in een grijze coalitiepolitiek.
Meervoudige verbindingen zijn goudaderen
Een politieke partij heeft een gedeelde basishouding en ideologische doelen nodig. Maar daarnaast is de kracht van een politieke partij afhankelijk van het aantal en de sterkte van de onderlinge verbindingen. Vergelijk het met een touw: een enkele draad knapt zo, daar hoeven niet veel krachten op te staan. Een vlecht uit drie draden gevlochten is al vele malen sterker. Het summum is zo’n tros op de kade waaraan zeewaardige schepen gehoorzamen. Het gaat ook in de politiek om wat eerder is genoemd ‘meervoudige verbindingen’ : niet een enkele lijn tussen personen, maar een dicht geweven gemeenschapsstructuur die in de loop der tijd ontstaan is.5 Waar mensen elkaar vertrouwen, decennia loyaal aan elkaar zijn en waar talenten samengebracht worden. Waar rollen verdeeld zijn. Waar bedacht is hoe landelijk en lokaal bestuur zich verhoudt tot elkaar en tot het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Meervoudige verbindingen lijken eigenlijk erg ouderwets. ‘Trek je één boer uit de Haarlemmermeer, dan trek je ze allemaal mee’, zeiden mijn ouders altijd als ze uitlegden wie daar familie van wie was en hoe die zich dan vervolgens verhielden tot de politiek, de kerk, de standsorganisatie, de studiegroepen en de plattelandsverenigingen. En dan hadden we de sportvereniging, het zangkoor en het vrijwilligerswerk nog niet gehad. Vroeger werd je vanzelf opgenomen in diverse verbanden. Je kwam elkaar steeds weer tegen. Een levenslang netwerk, soms zo klein en verstikkend als Gerard Reve beschreef in De Avonden, soms zo krachtig en vitaal dat levenslange vriendschappen goudaderen voor ons land bleken zoals tijdens de wederopbouw. Meervoudige verbindingen kunnen overigens ook corrupte of geperverteerde verbindingen zijn, bijvoorbeeld in de gebiedsontwikkeling of de bouw waar een klein clubje ingewijden met een duidelijke machtsverdeling de dienst uitmaakte. Meervoudige verbindingen bepalen de kracht van een netwerk, in goede en in slechte tijden. Ze zijn gebaseerd op vertrouwen en loyaliteit of op een gecorrumpeerde geperverteerde keerzijde daarvan.6
Een nieuwe stadspolitiek heeft meervoudige verbindingen nodig. Inhoudelijke én personele verbindingen tussen de landelijke en lokale politiek. Deze ontstaan door goede afspraken over gemeenschappelijke inhoudelijke uitgangspunten op de betreffende beleidsterrein na landelijke én lokale verkiezingen. Daar moeten de bestuurders én volksvertegenwoordigers het initiatief toe nemen, afspraken maken en zich daar vervolgens aan committeren. En een keer per jaar nog eens even goed naar kijken. Lange-termijnverbindingen, ontstaan vanuit een gedeeld besef dat je iemand van je eigen partij in beginsel in het openbaar verdedigt en aanvult, omdat je samen speelt tegen de rest en internationaal mét elkaar in plaats van tegen elkaar.
Een mooi voorbeeld is de samenwerking tussen het rijk en Amsterdam bij de viering van het New York-400 jaar.
Als betrekkelijke nieuweling krijg ik de indruk dat het aantal meervoudige verbindingen in de Partij van de Arbeid niet zo groot is. Het aantal nieuwe mensen op vitale posities wel. Er is weinig tijd voor contact want ook de verantwoordelijkheden zijn meteen groot. Daarnaast worden er geen rollen verdeeld, want er is weinig tijd voor goede gesprekken. Er worden geen talenten gebracht want er is niemand die het gezag en de autoriteit heeft om te bepalen wie die talenten zijn. Er is partijdemocratie tot op stadsdeelniveau waardoor krachtige figuren snel beschadigd raken. En anders zijn er altijd nog de peilingen, de stellingen van de radio en de reactiepagina’s van de digitale kranten om iemand eens flink op de proef te stellen. En daardoor gaat het snel en soms ondoordacht, daardoor zijn er veel oplossingen op zoek naar een probleem, daardoor gaat de irrationaliteit soms overheersen en is de loyaliteit van korte duur. Het gaat dan niet meer over de dingen waar het wel over moet gaan, en wel over de dingen waar het niet over moet gaan. Dan haken vele burgers af. Is dat terecht? Zeker. Is dat te voorkomen? Dat ook!
Conclusie
De kern van nieuwe stadspolitiek is dat de stad in het nieuwe internationale speelveld positie kiest en de mensen bindt en uitdaagt. Nieuwe stadspolitiek is er op uit om samen met bewoners, bedrijven en organisaties de stad te maken. De sociaal-democratie zou zich met een herkenbare basishouding op een beperkt aantal heldere taken en doelen moeten concentreren, waarbij in deze tijd de kunst en cultuur een belangrijke rol spelen. Pas dan weten bewoners, bedrijven en bezoekers voor welke stad zij kiezen. Pas dan voelen zij zich verbonden en uitgedaagd. Pas dan zullen zij zeggen: Wij maken de stad, niet alleen nu maar ook straks.
Reageer
Om te reageren moet je geregistreerd zijn als MijnPvdA gebruiker.
Spelregels
Wachtwoord of Gebruikersnaam vergeten?
